Hoofdnavigatie overslaan

De wet van tiende en onze stoffelijke zelfredzaamheid

Boodschap gebiedsleiding

Tiende
Elder Francisco J Ruiz De Mendoza
Elder Francisco J Ruiz De Mendoza Gebiedszeventiger

In de complexe wereld van vandaag is het vaak een hele opgave om zelfredzaam te worden. Vanuit een gelovig oogpunt is het echter een haalbaar doel. Volgens het Handboek kerkbestuur is zelfredzaamheid ‘iemands vermogen, vaste voornemen en streven om in de geestelijke en materiële levensbehoeften van zichzelf en zijn of haar gezin te voorzien’.[1] In de Schriften staan talrijke voorbeelden van Gods kinderen die zelfredzaamheid bereiken. Denk maar aan de tocht van Lehi’s groep door de wildernis. Lehi had al zijn rijkdommen achtergelaten om de wil van de Heer te volgen. Hun ontberingen in de wildernis werden dan wel verzacht door de leiding van God in de vorm van visioenen, bezoek van engelen en de aanwijzingen van de Liahona, maar toch was de wildernis een verschrikkelijke plek en kregen deze mensen op hun tocht voortdurend met beproevingen te kampen. In het Boek van Mormon staat het bijzonder moeilijke moment beschreven waar Nephi per ongeluk zijn stalen boog breekt en zonder voedsel naar het kamp van Lehi terugkeert. Na deze zware tegenslag begint iedereen in de groep van Lehi, met inbegrip van Lehi zelf, tegen de Heer te morren. Zonder een betrouwbare boog zouden ze immers geen voedsel krijgen en uiteindelijk omkomen. Nephi laat zich echter niet tot gemor verleiden, maar stelt zijn vertrouwen in de Heer. Als blijk van dat vertrouwen maakt Nephi met schaarse middelen een houten boog en pijl. Dan vraagt hij zijn vader, die ondertussen tot inkeer is gekomen, in zijn hoedanigheid van profeet navraag te doen bij de Heer om te weten waar hij voedsel kan vinden. De openbaring komt door middel van de Liahona, en Nephi komt met een overvloed aan voedsel terug.[2]

Nephi paste de beginselen van zelfredzaamheid doeltreffend toe. Hoe kunnen wij in deze tijd hetzelfde doen? Hoe kunnen wij de Heer tonen dat we op Hem vertrouwen, net als Nephi? Vanuit een stoffelijk oogpunt kunnen we ‘een houten pijl en boog maken’ door een studie aan te vatten of een baan te zoeken.  Als we het boekje Mijn pad naar zelfredzaamheid invullen en ons bij een zelfredzaamheidsgroep van de kerk aanmelden, worden onze stoffelijke inspanningen deel van een breder geestelijk perspectief. We ontvangen meer licht voor stoffelijke zaken als we er vanuit een gelovig oogpunt naar kijken. In deze geestelijke context tonen we de Heer duidelijk dat we Hem vertrouwen door de wet van tiende na te leven en onze rol als kostwinner naar best vermogen te vervullen. De meeste leden van de kerk weten dat God stoffelijke zegeningen in overvloed belooft aan hen die de wet van tiende gehoorzamen. De profeet Maleachi heeft geopenbaard: ‘Beproef Mij toch hierin, […] of Ik niet de vensters van de hemel voor u zal openen.’[3] Volgens een hedendaagse openbaring heeft de Heer de wet van tiende ingesteld om ‘het land Zion [te heiligen]’ en is ze uiteindelijk onmisbaar voor de opbouw van Zion: ‘Indien mijn volk deze wet niet naleeft, […] zie, voorwaar, Ik zeg u: Dan zal het geen land Zion voor u zijn.’[4] Zion is de heilige plek waar de reinen van hart zich verzamelen en in rechtschapenheid leven.[5] Het ‘kan niet worden opgebouwd, anders dan door de beginselen van de wet van het celestiale koninkrijk’[6] en het is een bescherming en een toevlucht.[7]

Als we over deze openbaringen nadenken, kunnen we ons afvragen: Wil ik aan de opbouw van Zion meewerken? Kan ik de wet van tiende naleven als een teken van mijn vertrouwen in de Heer? Begrijp ik dat het een celestiale wet is die er samen met andere wetten voor zorgt dat ik voor de vreugde van het eeuwige leven in aanmerking kom? Mijn gezin en ik hebben talloze zegeningen ontvangen door de wet van tiende na te leven. Het is mijn gebed dat de wet van tiende voor ieder van ons, de heiligen van de Heer, de basis van onze zoektocht naar stoffelijke en uiteindelijk geestelijke zelfredzaamheid wordt.


[1] Handboek 2: de kerk besturen [2010], 6.1.1.

[2] 1 Nephi 16:18–32

[3] Maleachi 3:10–12

[4] LV 119:5–6

[5] LV 101:16–22

[6] LV 105: 5

[7] LV 115: 6