De zegeningen van de wet van tiende

    Boodschap van de gebiedsleiding

    Ouderling Sabin
    Ouderling Gary B. Sabin Gebiedspresident Europa

    Vele jaren geleden had president Gordon B. Hinckley als ringpresident een tempelaanbevelingsgesprek met een broeder. Toen president Hinckley de man vroeg of hij een eerlijke tiende betaalde, antwoordde die rechtuit dat hij dat vanwege zijn vele schulden niet deed. President Hinckley voelde dat hij moest zeggen dat de man zijn schulden pas zou kunnen afbetalen als hij zijn tiende betaalde.

    Deze broeder bekende later aan president Hinckley dat hij zijn schuldenberg de daaropvolgende jaren niet had kunnen verkleinen, hoe hard hij dat ook had geprobeerd. Uiteindelijk hadden hij en zijn vrouw besloten om de belofte van de Heer te beproeven. De man zei: ‘De Heer heeft ons op de een of andere manier gezegend. We hebben het geld dat we Hem hebben gegeven niet gemist. En voor het eerst in vele jaren zijn onze schulden verminderd.’ Hij en zijn vrouw waren eindelijk in staat om de eindjes aan elkaar te knopen. Maar nog belangrijker: ze hadden gemoedsrust omdat ze hun toezegging aan de Heer nakwamen.[1]

    Toen ik pas bisschop was, moest ik ook eens een broeder raad over tiende geven. Hij was een nieuw lid en had een ernstig dilemma: hij had niet genoeg geld om belasting én tiende te betalen. Ik vroeg eenvoudigweg: ‘Gelooft u dat het evangelie waar is?’ Hij antwoordde bevestigend en kwam toen snel tot de conclusie dat zijn getuigenis het antwoord was. Een paar weken later spraken we elkaar weer. Hij vertelde me dat zijn boekhouder bij de berekening van zijn belasting een fout had gemaakt, die hij nu had rechtgetrokken. Het bedrag dat hij minder moest betalen was gelijk aan zijn tiende. Volgens mij dwong het geloof van deze lieve broeder de hemel om zijn boekhouder die geniale ingeving te geven. 

    We betalen onze tiende eerder met geloof dan met geld. God geeft meer om onze gehoorzaamheid en de invloed die ze op onze ziel heeft als we een eerlijke tiende betalen, dan om het bedrag dat we geven. Zo tonen we dat we God en zijn beloftes vertrouwen. We mogen niet zijn zoals de man die voor een open haard ging zitten en zei: ‘Als jij me warmte geeft, dan geef ik jou hout.’ Moroni leert ons: ‘U ontvangt geen getuigenis dan na de beproeving van uw geloof.’[2]

    Het evangelie volgt de logica van de mens niet. Denk maar aan deze Schriftteksten: ‘De laatsten [zullen] de eersten zijn, en de eersten de laatsten’,[3] ‘De zwakken [zullen] de wijzen beschamen’,[4] ‘Wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden’,[5] en ‘Het is zaliger te geven dan te ontvangen.’[6] Die geestelijke ironie komt het duidelijkst naar voren in de wet van tiende, want we hebben echt meer als we meer geven. Dat komt doordat de wegen van de mens niet de wegen van God zijn, en doordat God aan het roer staat.

    Tiende is nooit een last, maar een zegen, omdat het altijd beter met ons gaat als de Heer aan onze zijde staat. Wanneer we tiende betalen, ontvangen we geestelijk zelfvertrouwen dat andere zegeningen zoals spiritualiteit, dankbaarheid en naastenliefde mogelijk maakt. Kortom biedt gehoorzaamheid aan de wet van tiende ons materiële bescherming en geestelijke vrede, doordat ons vertrouwen in de tegenwoordigheid van God sterk wordt.[7]

    Ik wil daaraan toevoegen dat ik uit ervaring weet dat het geven van een royale vastengave ook tot geweldige zegeningen leidt. Als wij vrijgevig naar de minderbedeelden zijn, dan zal de Heer vrijgevig naar ons zijn.          

    God wil ons graag in elk aspect van ons leven helpen. Maar dan moeten we zijn geboden onderhouden, geloof oefenen en op zijn beloofde zegeningen vertrouwen.

     


    [1] President Gordon B. Hinckley, Ensign, mei 1982 

    [2] Ether 12:6

    [3] Mattheüs 20:16

    [4] Leer en Verbonden 133:58

    [5] Mattheüs 10:39

    [6] Handelingen 20:35

    [7] Zie Leer en Verbonden 121:45