Filerijden en bergbeklimmen

    Het zal bijna iedereen wel eens zijn overkomen: een lange file aan de overkant van de snelweg en wij lekker doorrijden met de gedachte: wat ben ik blij dat ik daar niet in zit! Het gebeurt mij vaak dat ik juist in de file zit en met afgunst kijk naar de auto’s aan de overkant die doorrijden. Jaloezie en zelfmedelijden zijn maar een paar emoties die ik op dat moment ervaar. En dan verandert alles als ik bij de oorsprong van de file terechtkom en zie dat hetzelfde voorval ook een file in de tegengestelde richting heeft veroorzaakt. Pas dan denk ik aan het feit dat degene die ik een halfuur eerder vrolijk zag doorrijden wellicht ook een uur heeft vastgezeten. Dan is mijn emotionele wereld weer in evenwicht, en realiseer ik me alweer dat het “meezitten” en “tegenzitten” niet ver van elkaar zijn.

    bergbeklimmen

    Deze (helaas zich steeds herhalende) ervaringen doen mij ook denken aan bergbeklimmen. Als je onderaan het pad omhoog kijkt, zie je vaak de top en soms lijkt die heel ver weg. Je ziet ook andere wandelaars die veel verder op het pad zijn. Het kost ons soms moeite om hierdoor niet ontmoedigd te raken. In deze situatie zouden we onszelf moed moeten inspreken en niet afgunstig zijn omdat zij al zover zijn. Zij zijn gewoon eerder begonnen of hebben een betere conditie. Het is geen wedstrijd. Als we eenmaal de top hebben bereikt is er uiteraard geen afgunst meer. Maar dan is het verleidelijk om naar beneden te kijken naar degenen die nog een lange weg te gaan hebben en denken hoe goed wij het nu hebben. Het is nu eenmaal een onderdeel van het leven dat het ons soms goed gaat en een ander niet, of juist andersom. Wij bevinden ons in het algemeen op hetzelfde pad, alleen op een ander punt.

    Het doel van de kerk is om mensen tot Christus te brengen. Volgens mij zit daar geen “deadline” op. Voor zover ik mij kan herinneren heb ik in mijn jeugd nooit een getuigenis gedeeld tijdens een getuigenisvergadering. Dit heeft wellicht een aantal van mijn leiders beziggehouden, want tijdens een van de jeugd-conferenties spoorde mijn jonge mannen-president mij aan om dit te doen. Ik antwoordde vriendelijk: “Nee, ik voel het niet.” Destijds waren er voor mij allerlei redenen om het niet te ‘voelen’: angst om voor publiek te spreken, een ander de tijd te gunnen, etc. Maar het kwam erop neer dat ik er nog niet klaar voor was of anders gezegd, ik had een getuigenis maar kon dat niet onder woorden brengen. Ik was toen 16 en op een ander punt van het pad. En met het spreken voor publiek of het delen van mijn getuigenis is het volgens mij uiteindelijk wel goed gekomen.

    Ik denk dat het een van de sleutels voor het bedienen is, om zo goed als mogelijk het hart van onze gezinnen te leren kennen. Dan zijn wij beter in staat om hen te helpen het voorbeeld van Christus te volgen. Een ander aanmoedigen is goed, maar ik ben ervan overtuigd dat we hen het beste helpen als we dit doen vanuit hun perspectief en waar ze zich op dat moment op hun levenspad bevinden, en niet vanuit ons eigen denkbeeld over hoe het hoort.