Hoofdnavigatie overslaan

‘Ze noemden het de hel, wij noemden het de hemel’: het verhaal van verbannen mormonen in de leprakolonie in Kalaupapa

De meesten mensen associëren lepra of melaatsheid met bijbelse tijden. Als je melaats was, betekende dat diepe ellende en verbanning. Maar voor mormonen in de leprakolonie Kalaupapa op Hawaï betekende de ziekte ook eenheid, gemeenschapszin en geloof in God die zij en hun omwonenden voor niets zouden willen ruilen.
De meesten mensen associëren lepra of melaatsheid met bijbelse tijden. Als je melaats was, betekende dat diepe ellende en verbanning. Maar voor mormonen in de leprakolonie Kalaupapa op Hawaï betekende de ziekte ook eenheid, gemeenschapszin en geloof in God die zij en hun omwonenden voor niets zouden willen ruilen.

Een katholieke priester die op zijn leven terugkeek, zei dat de twee heiligste plekken op aarde Jeruzalem en Kalaupapa waren. Deze verrassende uitspraak zal zeker gehoor vinden bij de duizenden mensen van uiteenlopende geloofsrichtingen die diep geraakt zijn door Kalaupapa, een vredige nederzetting, prachtig gelegen op een 6 km lang schiereiland onder de steile, adembenemende kliffen van het Hawaïaanse eiland Molokai. Dit paradijselijke oord lijkt een passend symbool te zijn voor de universele liefde van een Opperwezen die zich naar alle uithoeken van de aarde uitstrekt. Al meer dan een eeuw staan hier kerken voor protestanten, katholieken, boeddhisten en mormonen. Al deze religies samen hebben van Kalaupapa een plaats gemaakt waar onvoorwaardelijke liefde heerst – iets waar de wereld van vandaag zo dringend behoefte aan heeft.

Het is nu meer dan 10 jaar geleden dat ik voor het eerst een bezoek bracht aan deze gewijde plek, waar een gemeenschap van verbannen melaatsen eens een toevlucht vond. Als ik er nu op terugkijk, moet ik ook denken aan wat ouderling Matthew Cowley daar ooit eens gevoeld heeft. (Ouderling Cowley was een apostel die het gebied Micronesië presideerde.)

Na ouderling Cowley’s bezoek aan Kalaupapa in de jaren ’50 van de vorige eeuw zei hij: ‘Ik ging erheen met de angst dat ik neerslachtig zou worden. Ik ging er vandaan in de wetenschap dat ik naar grote hoogte was getild. Ik had verwacht dat mijn hart, dat niet zo sterk is, verscheurd zou worden door medelijden, maar ik ging er vandaan met het gevoel dat het juist genezen was.’

Cowley voegde daaraan toe: ‘Ik ging er vandaan (…) met diepe genegenheid voor mijn vrienden, liefde voor mijn vijanden, lofprijzing aan God, en met een hart dat ontdaan was van alle kleingeestigheid. Dit is voor mij een ware transformatie, en ik heb het te danken aan (…) de heiligen van Kalaupapa.’

wereld lepra dag
Foto met toestemming van de HLD-bibliotheek voor kerkgeschiedenis

De kolonie wordt gesticht

Uit angst dat lepra, tegenwoordig ook ‘ziekte van Hansen’ genoemd, in zijn koninkrijk een epidemie zou worden, ondertekende de Hawaïaanse koning Kamehameha in januari 1865 een intentieverklaring om de verspreiding van deze kwaadaardige ziekte tegen te gaan. Het schiereiland Makanalua (later in de volksmond Kalaupapa genoemd) aan de noordkust van Molokai werd als kolonie aangewezen en werd daarmee als het ware een vesting met natuurlijke grenzen voor de slachtoffers, die als veroordeelde gevangenen werden beschouwd. Aan het begin van het volgende jaar werden er 12 patiënten naartoe verbannen, de eersten van meer dan 8000 die tussen 1866 en 1969 hun dierbaren moesten achterlaten.

In 1873 kwamen twee geestelijke leiders van verschillende religies naar Kalaupapa. De eerste was een mormoon, Jonathan Hawaii Napela. De tweede was een Belgische katholieke priester, Joseph De Veuster, beter bekend als Vader Damien.

Napela was in 1848 rechter van de arrondissementsrechtbank op Maui geworden. 4 jaar later, op 39-jarige leeftijd, liet hij zich als lid van de kerk dopen. Hij was een enorme hulp voor de eerste mormoonse zendelingen op de Hawaïaanse eilanden, waar hij ouderling George Q. Cannon hielp bij de vertaling van het Boek van Mormon in het Hawaïaans. Maar hij is vooral bekend geworden als toegewijde echtgenoot.

Toen zijn vrouw Kitty de ziekte kreeg, wilde Napela bij haar blijven. In een brief aan de Hawaïaanse Gezondheidsraad smeekte hij om toestemming om bij haar op de kolonie te blijven. Hij schreef: ‘Ik heb God beloofd om in gezondheid en ziekte voor mijn vrouw te zorgen (…) Ik wil bij haar blijven (…) maar deze ziekte zal haar leven sterk bekorten. Dat is de reden voor mijn verzoek.’ Zijn hartgrondige wens werd gehonoreerd. De rest van zijn leven bleef hij bij haar in Kalaupapa (1873-1879), waar hij ook waarnemend gemeentepresident was. Helaas kreeg Napela de ziekte ook; hij stierf ongeveer 2 weken voor zijn vrouw.

Maar Napela was niet de enige met hart voor de bewoners van de kolonie. Vader Damien arriveerde ongeveer tegelijkertijd met Napela in Kalaupapa, maar leefde 10 jaar langer. Deze zachtaardige, onverschrokken man werd gedreven door een onzelfzuchtigheid die het best in zijn eigen woorden beschreven kan worden: ‘Stel dat de ziekte in mijn lichaam komt. Bij de opstanding geeft God mij een ander lichaam.’ Vanaf zijn aankomst in 1873 tot zijn dood op 49-jarige leeftijd in 1889 ging zijn liefdevolle zorg uit naar iedereen, ongeacht hun ras of religie.

Napela en Vader Damien leerden elkaar kort na hun aankomst in de kolonie kennen. Er groeide een hechte vriendschap tussen de twee, ook al was Vader Damien 27 jaar jonger dan Napela, Ook was hij afkomstig uit een totaal andere cultuur en een toegewijde leider van een andere kerk. Een van de bewoners van Kalaupapa schreef zelfs: ‘Toen Vader Damien in de leprakolonie aankwam (…) werden de heer J. Napela en Vader Damien de beste vrienden.’

Wat dit des te opmerkelijker maakt, is dat in deze periode in Hawaï godsdiensten elkaar fel beconcurreerden in hun pogingen om de eilandbewoners te bekeren. Maar in Kalaupapa lijkt het geestelijke klimaat zich in een compleet andere richting te hebben ontwikkeld, gevoed door de vriendschap tussen deze twee grootse mannen en hun gedrevenheid om de armzalige omstandigheden die ze bij hun aankomst in de kolonie aantroffen, te verbeteren. Beiden waren naar Kalaupapa gekomen om te dienen; uiteindelijk kregen beiden door hun liefdevolle dienst en medemenselijkheid zelf ook lepra.

De hemel in een hel op aarde

Door de invloed van Napela, Vader Damien en diverse andere toegewijde christenen begon de gemeenschap te veranderen. Na verloop van tijd bracht het collectieve lijden in Kalaupapa daar een verzachting teweeg. Bernard, een voormalig patiënt, beschreef hoe Kalaupapa aanvankelijk gezien werd als ‘een duivelseiland, een poort naar de hel, erger dan een gevangenis’. Maar hij voegde daaraan toe: ‘Het is een poort naar de hemel. Op die plek heerst ware spiritualiteit. Al het lijden van hen die hun bloed in dat land hebben laten vloeien – dat effect is zo krachtig dat zelfs de regen het niet kan wegspoelen.’ Mormoonse patiënt Makia Malo zei: ‘Ze noemden het de hel, wij noemden het de hemel.’

Sommige patiënten hebben verteld hoe hun getuigenis van het gebed versterkt werd door hun ervaring in Kalaupapa. Zo schreef de protestantse Nancy Talina: ‘We werden gevoed (…) niet alleen door een protestant of mormoon of zelfs katholieke nonnen. Iedereen werkte samen (…) Iedereen had gebed nodig; en gebeden werd er. Wat was ik dankbaar dat ik me dicht, héél dicht bij God voelde.’ Een katholieke patiënte die in 1936 op 14-jarige leeftijd naar Kalaupapa kwam, vertelde ook over haar ervaring met het gebed en hoe belangrijk het is om God te danken, zelfs in moeilijke tijden: ‘God weet wat het beste voor ons is (…) Je moet je geloof behouden, wat er ook gebeurt in je leven (…) Voor mij is godsdienst niet dat je God dankt als alles goed gaat; godsdienst is dat je God dankt juist als het niet allemaal goed gaat.’

Deze band met de hemel lijkt ook de hechte band tussen de patiënten onderling te hebben gesmeed. Verschillende mensen die contact hebben gehad met de patiënten in Kalaupapa hebben versteld gestaan over de eenheid die het lijden aan dezelfde ziekte tot stand bracht. Zo schreef Robert Louis Stevenson in zijn boek Travels to Hawaii over zijn bezoek aan Kalaupapa: ‘Ze waren vreemden voor elkaar, samengebracht door een gemeenschappelijke tragedie.’ Protestantse schrijfster Ethel H. Damon merkte op: ‘Omdat de mensen geheel op elkaar waren aangewezen in hun lijden, vielen de verschillen in godsdienstige opvattingen helemaal weg.’ Predikant James Drew zei erover: ‘Ze zijn broeders en zusters hier (…) daar heeft de lepra wel voor gezorgd.’

De Aziatische patiënt Paul Harada verwoordde een soortgelijke gedachte: ‘Hoe meer we lijden, hoe dichter we tot elkaar komen (…) we zijn allemaal vrienden hier.’

Eenheid bouwen in Kalaupapa

Uit de diverse interviews die in de loop der jaren hebben plaatsgevonden, komt duidelijk de sterke cultuur van eenheid in Kalaupapa naar voren.

De mormoonse Kuulei Bell vertelde hoe ze verschillende keren gevraagd werd om in het katholieke koor te zingen.

Richard Marks (voormalig patiënt, katholiek en bijna 20 jaar sheriff van Kalaupapa) wees graag op zijn ongebruikelijke record dat hij als sheriff nooit iemand gearresteerd heeft. In een beschrijving van de katholieke mis met Kerst in Kalaupapa vertelde hij: ‘De protestanten en mormonen kwamen vroeg; zij gingen altijd achter zitten, zodat wij vooraan konden zitten.’ Een andere katholieke patiënt merkte op: ‘Als er iets op touw werd gezet, kwam de hele gemeenschap gewoon bij elkaar.’

Kennelijk zette deze houding van inclusie zich in de twintigste eeuw in Kalaupapa voort. Mormoonse bekeerlinge Mary Sing wist te vertellen: ‘Toen ik [in 1917 in Kalaupapa kwam], leefde iedereen als één grote familie. Niemand zei ook maar iets slechts over de andere godsdiensten. Iedereen was samen. Ze respecteerden elke kerk.’ Sing voegde daaraan toe: ‘Als de katholieken een feestje hadden (…) wachtten ze tot de mormonen klaar waren met hun dienst (…) Bij de protestanten ging het net zo; iedereen was gelukkig.’ Een protestantse patiënt, Edwin Lelepali, door zijn vrienden ‘Pali’ genoemd, vertelde daarover: ‘Wij en de katholieke kerk en de mormoonse kerk, we kwamen altijd bij elkaar.’

Een wel zeer gedenkwaardige oecumenische dienst vond plaats kort nadat er een kruis bij de Kauhako krater was opgericht, kort voor Pasen 1948. Over de samenwerking van verschillende christelijke kerken werd geschreven: ‘De twee mormoonse ouderlingen [die aan dat gebied waren toegewezen] hielpen pastoor Alice met de dienst; er waren veel rooms-katholieken bij (…) De mensen zongen als nooit tevoren, en hun blijde boodschap werd op de wind zelfs naar de patiënten in het ziekenhuis van Kalaupapa gevoerd.’

Misschien wel de meest indrukwekkende oecumenische samenwerking in Kalaupapa werd gezien bij de bouw van de verschillende kerkgebouwen. Leden van alle godsdiensten in de hele kolonie bundelden in 1966 hun krachten om de protestantse Siloamakerk te restaureren ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de protestantse kerk in de kolonie. Lelepali zegt daarover: ‘Je had de protestanten, je had de katholieken, je had de mormonen die allemaal hielpen om deze kerk te bouwen (…) ze wilden deze kerk helpen (…) Als je hier kwam, voelde je de geest van liefde. Het was heel bijzonder om met ze samen te werken (…) Het was gewoon prachtig.’

Op de vraag of deze zelfde steun gegeven werd bij de bouw van een twintigste-eeuwse katholieke kerk in de kolonie, merkt hij op dat iedereen ‘hielp om geld voor de kerk in te zamelen (…) Iedereen droeg iets bij, zo ging dat in Kalaupapa. Dat maakt Kalaupapa zo anders (…) Als iemand hulp nodig heeft, staat iedereen klaar.’ Tot slot legde deze patiënt uit: ‘Dit is onze familie (…) Het kan me niet schelen van welke godsdienst (…) zo voelen we dat. Als ze hulp nodig hebben, staan we klaar.’

Diezelfde sfeer van liefde en samenwerking bij de bouw van de katholieke en protestantse kerken bleek ook overduidelijk in 1965 toen een nieuwe mormoonse kerk gebouwd werd om een ouder gebouw, dat klaar was voor de sloop, te vervangen. Toen het gebouw aan het einde van het jaar werd gewijd en het aantal werkuren werd geteld, bleek dat mensen van andere kerken zelfs meer tijd aan de kerk hadden gebouwd dan de mormonen zelf. ‘Iedereen werkte hard, en sommige mensen met beperkingen lieten hun handen aan de kruiwagen vastbinden zodat ze konden helpen.’ De hele kolonie vierde samen dat hun mormoonse vrienden nu een nieuw kerkgebouw hadden om 

Foto met toestemming van Damien Collection Leuven
Foto met toestemming van Damien Collection Leuven

WARE naastenliefde

De naastenliefde en uitzonderlijke inzet voor medemensen in Kalaupapa herinnert ons eraan hoe belangrijk het is dat we bruggen bouwen in plaats van barrières, gemeenschappelijke grond opzoeken in plaats van een slagveld, en ieder in zijn waarde laten ongeacht de verschillen.

Ouderling Orson F. Whitney heeft eens tijdens een algemene conferentie gezegd dat God ‘niet alleen zijn verbondsvolk, maar ook anderen gebruikt om een werk te doen dat zo kolossaal, magnifiek en gewoon veel te zwaar is voor dit kleine groepje heiligen om zelf te doen (…) De Almachtige heeft veel andere goede en grootse mensen naar vele landen gestuurd om hun (…) dat deel van de waarheid te geven dat ze in staat waren te ontvangen en in wijsheid te gebruiken.’

Het verhaal van Kalaupapa herinnert ons er ook aan om buiten de kring van onze eigen godsdienst te kijken in de ogen van andersdenkenden en te streven naar die grootste geestelijke gave van alle: naastenliefde. Deze unieke kolonie uit het verleden spoort ons vandaag de dag aan om de nog altijd relevante Latijnse spreuk toe te passen: ‘In essentiële zaken, eenheid; in niet-essentiële zaken, vrijheid; en in alle zaken, naastenliefde.’

Kalaupapa laat zich vertalen naar ‘platte vlakte’ of ‘plat blad’. Voor iedereen was de komst naar Kalaupapa een egaliserende ervaring: een manier om de grens van de eigen godsdienst en etniciteit te passeren naar een groter domein van eindeloze broederschap en medemenselijkheid. Want het was hier dat kerkelijke gezindtes en culturele grenzen vervaagden; het was hier dat de liefde van God zich op magnifieke wijze manifesteerde.